Posts tonen met het label Beeldcultuur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Beeldcultuur. Alle posts tonen

zondag 16 september 2012

Semiotische analyse: De brandende monnik



De albumhoes van Rage Against the Machine.
In het jaar 1992 kwam de Amerikaanse rock band Rage Against the Machine met hun gelijknamige debuutalbum. De band baarde opzien met hun succesvolle mix tussen rap en heavy metal, de hoge kwaliteit van de productie, en boven alles de politieke motieven van hun nummers (Eduardo Rivadavia). Met dit laatste punt in het achterhoofd is het interessant om te kijken naar de albumhoes die de band koos voor hun debuutalbum. Vooral omdat we in mijn vorige blog gezien hebben dat een beeld veel betekenis kan hebben.

Het is een markante foto die de mannen uitgekozen hebben: een monnik die ogenschijnlijk kalm in een zee van vuur opgaat. Het is een foto die de hele wereld over geweest is. De monnik is de Vietnamese Thích Quảng Đức. Hij stak zichzelf midden op een druk kruispunt in de grote Vietnamese stad Saigon in brand. Zijn zelfverbranding werd op beeld vastgelegd door fotograaf Malcolm Brown, die er de World Press Photo en Pulitzer prijs mee won. Dit geeft aan dat er, behalve de shockfactor, nog een diepere betekenis achter dit beeld schuilgaat. In deze blog ga ik dit analyseren met behulp van de driedeling van Peirce (1907) over de relatie tussen het teken en het afwezige.

Laat ik de driedeling voor het gemak nog maar eens samenvatten. Tekens hebben een relatie met hetgeen ze afbeelden. Deze relatie kan drie vormen aannemen (college Hans van Driel):
1. Een teken is iconisch als er een overeenkomst met het afwezige.
2. Een teken is indexicaal als er een feitelijke relatie is met het afwezige. In andere woorden: zonder het een had het ander niet kunnen bestaan.
3. Een teken is symbolisch als de relatie is vastgesteld door middel van afspraken.
De stelling is dat ieder teken de relaties in zich heeft; het hangt van het perspectief af. Laten we dit testen aan de hand van de foto.

De zelfverbranding van Thích Quảng Đức. Foto door Malcolm Browne.

Iconische relatie
De iconische relatie heeft te maken met het beeld dat je ziet. In dit geval is dit een brandende monnik. Ondanks het vuur oogt hij kalm. Hij zit in kleermakerszit en lijkt te mediteren. Achter hem kun je de benzinekan nog zien liggen. Tevens staat er een auto met een monnik ernaast. In de achtergrond kun je de cirkel van monniken zien die Đức omringen. Geen van hen lijkt hem te helpen.

Indexicale relatie
De indexicale relatie omvat de feitelijke relatie tussen het beeld en het afgebeelde. Met andere woorden verwijst de foto naar de werkelijke gebeurtenis van de zelfverbranding. Evenals dat er zonder dier geen pootafdrukken zijn, zou deze foto er nooit zijn geweest zonder deze gebeurtenis. Hetzelfde geldt voor de fotograaf, want zonder Malcolm Browne zou deze precieze foto niet hebben bestaan. Wel zou de gebeurtenis vastgelegd zijn door iemand anders. Daarnaast bewijst de foto dat de gebeurtenis daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De foto is namelijk in het jaar 1963 genomen; een tijd waarin er nog geen beeldbewerkingsprogramma’s zoals Photoshop bestonden. De foto is dus authentiek, net als de situatie destijds.

Symbolische relatie
Hier wordt het interessant. De monnik stak zichzelf immers niet zomaar in lichterlaaie, hier zat een gedachte achter. Het was een openbaar protest tegen de vervolging van boeddhistische monniken door de Rooms-katholieke regering van Zuid Vietnam onder leiding van president Ngô Đình Diệm. Dankzij de foto groeide de reikwijdte van het protest echter van Saigon naar de hele wereld, waar de gebeurtenis voor veel aandacht voor de situatie in Vietnam zorgde. Er ontstond een symbolische relatie tussen het beeld en de situatie in het land. Neem bijvoorbeeld de volgende quote van John Mecklin, een ambtenaar van de Amerikaanse ambassade: 

"[the photograph] had a shock effect of incalculable value to the Buddhist cause, becoming a symbol of the state of things in Vietnam." (Jones, 2003)

De daad van Đức zorgde voor een flinke deuk in de reputatie van president Diệm, wat uiteindelijk leidde tot opstanden en de moord op Diệm. Dit is een goed voorbeeld van een situatie waarin het beeld invloed heeft gehad op de werkelijkheid. En ik denk dat we hierin de reden kunnen vinden waarom Rage Against the Machine de foto tot albumhoes gemaakt hebben. De daad van een individu kan weldegelijk verschil maken, en deze foto staat daar symbool voor.  

Referenties:

  • Jones, H. (2003). Death of a Generation. How the Assassinations of Diem and JFK Prolonged the Vietnam War. New York, NY: Oxford University Press.
  • Van Driel, H. (2012, 10 september). Hoorcollege Beeldcultuur.

Betekenisvorming in beeld en taal



De internationale symbolen voor de wc.
Iedereen die deze tekens bij de toiletten tegenkomt zal begrijpen wat ermee bedoeld wordt. Of je nou uit Nederland komt, of uit Frankrijk, Chili, Korea of Australië, de betekenis is duidelijk. En dat terwijl de vrouwen vandaag de dag lang niet allemaal in een jurk rondlopen. Op de een of andere manier zijn we met z’n allen tot een overeenstemming gekomen over de significantie van deze tekens. Dit heeft alles te maken met de semiotiek, oftewel de leer van de tekens.

Tijdens het derde college Beeldcultuur van Hans van Driel (10-09-2012) werd er een definitie van betekenis gegeven. Volgens Charles Sanders Peirce (1907) wordt de betekenis van een concept bepaald door de optelsom van alle voorstelbare consequenties die noodzakelijk volgen uit het desbetreffende concept. Hiermee bedoelt hij als het ware alle beelden en implicaties die in je opkomen als je een bepaald concept waarneemt. Deze verklaring roept echter weer een nieuwe vraag op: wat is een concept?

De linguïstische benadering
Laten we voor het beantwoorden van deze vraag even uitwijken naar het vakgebied van de linguïstiek, en dan met name de publicatie Cours de linguistique générale van Ferdinand de Saussure (1964, in Taylor 2002). Saussure zag taal als een symbolisch systeem van tekens. Overeenkomstig met C.S. Peirce beschouwde hij het teken als de associatie van een concept (of signified: hetgeen waarnaar verwezen wordt, Peirce noemt dit het afwezige) en een akoestisch afbeelding (de signifier: hetgeen dat verwijst). Hierbij moet je het concept en de akoestische afbeelding zien als iets wat in je hoofd zit; het is geen bestaand voorwerp in de echte wereld. De associatie tussen de twee begrippen is weergegeven in Figuur 1. 

Figuur 1: The Saussurean sign. De associatie tussen een concept en een fonologische structuur. (Alishahi, 2012)

Kijkend naar de afbeelding van de boom in figuur 1 zou je kunnen denken dat het concept een mental image is, maar dit is niet helemaal correct. Een mental image is namelijk óf te specifiek óf te algemeen. Zo zijn er bijvoorbeeld veel verschillende soorten bomen, waardoor een mental image van een eikenboom niet de hele lading dekt. Als we het echter algemener maken, raken er details verloren die inherent zijn aan het concept, zoals bijvoorbeeld bladeren of takken (Taylor, 2002). Nee, volgens Saussure moeten we het concept zien als een principe van categorisatie. Het zorgt ervoor dat we een boom herkennen als we er een zien; we kunnen deze als het ware als zodanig categoriseren. Daarnaast zorgt het concept ervoor dat we bepaalde inferenties kunnen maken, bijvoorbeeld dat een boom een stam en takken heeft en het uit de grond groeit (Taylor, 2002).

De link tussen beeld en taal op het gebied van tekens
Laten we deze inzichten uit de linguïstiek nu eens proberen te linken aan de theorieën van Peirce. Tijdens het college behandelde Van Driel de drie categorieën die Peirce gebruikte om de wereld te beschrijven:

  1. Firstness: de wereld van de mogelijkheden. Bijvoorbeeld: alle broeken waartussen je kan kiezen bij het beslissen van je outfit.  
  2. Secondness: de feitelijke keuze. Bijvoorbeeld: de keuze voor een zwarte broek.  
  3. Thirdness: gewoonte, patroonmatigheid, wetmatigheid. Bijvoorbeeld: als je naar je werk moet trek je altijd een zwarte broek aan.

Peirce’s gedachten over het proces van kennisvorming zijn gebaseerd op deze drie categorieën. Firstness staat gelijk aan de mogelijkheid dat een mogelijk teken tot teken wordt benoemd. Secondness is aanwezig in de relatie tussen het teken en de werkelijkheid. Thirdness wordt vertegenwoordigd door de relatie tussen het teken en de interpretant (oftewel de kennis die zich in diens hoofd vormt) (Van Driel, 1991).

De secondness, oftewel relatie tussen het teken en het afwezige, komt overeen met de stellingen van Saussure. Hij noemt het teken de akoestische afbeelding, en het afwezige het concept. Bijgevolg zijn beide wetenschappers tot dezelfde conclusie gekomen: tekens kunnen een drievoudige relatie hebben met het object.

Het Kijkwijzer symbool voor een 'enge' film.
  1. Een teken is iconisch als er een overeenkomst is tussen hetgeen waarnaar verwezen wordt (signified) en hetgeen dat verwijst (signifier). Bijvoorbeeld: verkeersborden.  
  2. Een teken is indexicaal als er een natuurlijke connectie is tussen de signified en de signifier. Bijvoorbeeld: pootafdrukken van een dier.  
  3. Een teken is symbolisch als de relatie tussen de signified en signifier is vastgesteld door middel van afspraken. Bijvoorbeeld: de symbooltjes van de Kijkwijzer of de tekens voor de wc bovenaan deze pagina. (Saussure, 1964)

Taylor stelt echter dat er aan deze driedeling iets schort: de rol van de waarnemer. Zo moet de mogelijke overeenkomst tussen het teken en het concept als zodanig worden herkend, evenals de mogelijke natuurlijke connectie of symbolische relatie. Tekens functioneren dus omdat we hierover als een gemeenschap tot overeenstemming zijn gekomen. En aan de overeenkomsten tussen Saussure en Peirce te zien geldt dit voor zowel taal als beeld. Het is dus maar goed dat we een overeenkomst hebben over de betekenis van de wc symbolen, anders zouden er ongemakkelijke situaties kunnen ontstaan.

Referenties: 
  • Alishahi, A. (2012, 10 september). Hoorcollege Cognitive Linguistics. 
  • Taylor, J. R. (2002). Cognitive Grammar. Oxford Textbooks in Linguistics. Oxford, Engeland: Oxford University Press.
  • Van Driel, H. (2012, 10 september). Hoorcollege Beeldcultuur.
  • Van Driel, H. (1991). Het Semiotisch Pragmatisme van Charles S. Peirce. Amsterdam, Nederland: John Benjamins Publishing. 

zondag 9 september 2012

Postmodern genieten

Het is kermis in mijn dorp. Vanuit het openstaande raam bereiken de dreunende bassen van de diverse attracties mijn oren, een muzikale begeleiding voor mijn activiteiten deze middag.  Want ik zit binnen, een blog te schrijven. Waarom ga ik niet naar buiten om van de kermis te genieten? Omdat dit de wekelijkse opdracht is, en die volg ik op. Mijn doel is het afronden van mijn studie, om vervolgens een baan te kunnen regelen en centjes te kunnen verdienen; hetgeen miljoenen mensen met mij mee doen. Dit is de bedoeling en die volgen wij op. Toch?


Het mechanistische wereldbeeld
Het halen van mijn studie, vanwege het halen van dit vak, vanwege het schrijven van deze blog… Je zou het kunnen zien als een actie-reactie principe. Het sluit aan bij een specifieke manier van kijken naar de wereld: het mechanistische wereldbeeld. Dit werd voor het eerst in 1950 uiteengezet door Eduard J. Dijksterhuis, in zijn boek De mechanisering van het wereldbeeld. Hierin beschreef hij de wereld met behulp van theorieën uit de exacte wetenschappen. Hans van Driel behandelde dit in het college Beeldcultuur van 03-09-2012. De kernopvatting is dat de wereld causaal en daardoor analyseerbaar is. In dit artikel (2002) schrijft Van Driel er het volgende over:

“…geschiedenis kan worden opgevat als een vertelling. Zo’n vertelling ontwikkelt zich lineair: de ene gebeurtenis volgt op de andere, waarbij we altijd een logisch verband veronderstellen. Indien gebeurtenis B plaatsvindt, dan is deze verklaarbaar uit een gebeurtenis A.”

Hierin rust het actie-reactie principe. Het komt er op neer dat je alles kan aanschouwen en er een conclusie uit kan trekken. Als je het vergelijkt met de stof uit het eerste college, dan kun je het een 1.0 situatie noemen. Is er dan ook een tegenhanger van dit mechanistische wereldbeeld? Jazeker: het postmoderne wereldbeeld.

Het postmoderne wereldbeeld
Het kernidee achter het postmoderne wereldbeeld is dat je verschijnselen in de wereld niet in hun geheel kunt aanschouwen. Je kunt ze enkel ervaren. Dit komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de kunst. Van Driel haalde in zijn college het Holocaust-Mahnmal monument in Berlijn aan. Het bestaat uit een veld dat volstaat met betonblokken in allerlei maten. Het is praktisch onmogelijk om het monument in zijn geheel te aanschouwen, en dit is ook niet de bedoeling. Overeenkomend met het postmoderne wereldbeeld dien je het te ervaren.

Stelaetop
Het Holocaust-Mahnmal monument. Foto door JT Loh jotography.
Nu ben ik zelf van mening dat we allemaal baat zouden kunnen hebben bij een gezonde dosis postmodern wereldbeeld op z’n tijd, om de alomvattendheid van de mechanisering tegen te gaan. Je constant druk maken over wat de gevolgen zouden kunnen zijn van wat je doet is uiteindelijk ook niet erg zinvol. Luister daarom naar de wijsheid van Woody Harrelson in de film Zombieland: zie de schoonheid in de kleine dingen en geniet van het leven.


Projecten binnen het postmoderne wereldbeeld
Een mooi voorbeeld hiervan was het ‘Play me, I’m yours’ initiatief. Dit werd in 2011 in Tilburg uitgevoerd in het kader van het Incubate Festival. Op verschillende plekken in de stad werden tijdelijk piano’s geplaatst waarop mensen konden spelen. En dat gebeurde. Mensen begonnen spontaan muziek te maken, en de hele stad leefde ervan op. Een ander voorbeeld is ‘Where the Hell is Matt?’. In deze video zie je hoe Matt al dansend de wereld rondtrekt. Deze reactie op Youtube illustreert de essentie van dit mooie project wat mij betreft goed:


 En dan hier de video zelf:



Wat mij betreft kunnen er niet genoeg van dit soort postmoderne projecten zijn. Het heeft de kracht om de mechanistische sleur te doorbreken en mensen te laten genieten van het leven. Daarover gesproken, ik denk dat ik maar eens naar buiten ga. Even postmodern genieten van de kermis. 

Referenties:

zondag 2 september 2012

The Times They Are a-Changin'

Dat zijn de woorden van Bob Dylan. Hij scoorde in 1964 een hit met dit nummer over de veranderlijkheid van het leven. In de loop der jaren is het uitgegroeid tot één van zijn meest bekende songs uit zijn toch al niet bescheiden repertoire. Misschien komt dit doordat er een kern van waarheid in het nummer zit: De tijden veranderen inderdaad. En dat is in verschillende gebieden op te merken.

De 1.0 en de 3.0 samenleving
In het college Beeldcultuur van 27-08-2012 stelde Hans van Driel dat onze samenleving door de decennia heen een evolutie heeft doorgemaakt. Tijdens het beschrijven van de gang van zaken in het verleden, haalde hij het begrip ‘1.0 situatie’ aan. Dit betreft een situatie waarin een institutie informatie aanlevert voor het individu, zonder dat er een wederkerig effect plaatsvindt (zie Figuur 1). Er is dus als het ware sprake van eenrichtingsverkeer. De eerste websites gelden als een voorbeeld hiervan: een pagina die wordt gebruikt als een etalage, vanwaar de maker informatie beschikbaar stelt voor de bezoekers zonder dat zij hier invloed op kunnen uitoefenen.

Tegenwoordig leven we volgens Van Driel meer en meer in een 3.0 samenleving. Deze situatie is dynamischer dan 1.0. De focus ligt niet langer enkel op het overdragen van informatie; er wordt gedeeld. Er bestaat interactie tussen de institutie en de individuen, en de individuen onderling (zie Figuur 1). Op het web is dit terug te vinden in sites waarbij bezoekers comments plaatsen en op deze manier het klimaat van de site bepalen. 


Figuur 1: De ontwikkeling van samenleving 1.0 naar 3.0. (Derksen, M. in: Van den Hoff, R., 2011)

Bij een verandering van de ene situatie naar de andere is het van belang om met de tijd mee te gaan. Bob Dylan zingt niet voor niets: “And the first one now, will later be last.” Als je niet mee verandert, dan kun je achterop raken.

1.0 en 3.0 op het gebied van educatie
Dit gegeven kan waardevol zijn op het gebeid van educatie. Hierin streven we namelijk naar de zo goed mogelijke opleiding en vorming van de jeugd. Daarom dient de volgende vraag gesteld te worden: Hoe passend is ons reguliere onderwijs? Gaat het mee met de overgang naar 3.0 of blijft het steken in oudere methodes? En in hoeverre is deze verandering positief?

In de 1.0 situatie was het veelal zo dat de leraar voor de klas zijn verhaal stond te houden terwijl de leerlingen passief luisterden. Eenrichtingsverkeer dus. Intussen zijn de tijden veranderd en hebben leraren de beschikking over een scala aan verschillende soorten technologie waarmee ze de leerlingen meer bij de lessen kunnen betrekken.  De instrumenten voor een 3.0 situatie zijn aanwezig. Desondanks vind ik het begrijpelijk als sommige leraren huiverig zijn om hun manier van lesgeven te veranderen. Zij zijn immers vertrouwd geraakt met hetgene dat ze al jaren doen. Het nut van nieuwe technologie moet daarentegen niet over het hoofd worden gezien. Want nut heeft het weldegelijk.

In een onderzoek van John Schacter (1999) is de impact van educatieve technologie op leren onderzocht. Hierbij werden vijf grootschalige en twee kleinschalige onderzoeken geanalyseerd en vergeleken. Er werd gevonden dat leerlingen beter presteerden op toetsen uit het onderzoek, gestandaardiseerde toetsen en landelijke toetsen als ze gebruik konden maken van educatieve technologie. Schacter noemt vijf soorten technologie in het bijzonder:
  • Instructies met computerbegeleiding;
  • Geïntegreerde technologie voor leersystemen;
  • Simulaties en software dat leerlingen higher order* denken bijbrengt;
  • Technologie voor samenwerken in netwerken;
  • Ontwerp- en programmeertechnologieën.
Het gebruik van technologie ‘omdat het kan’ heeft echter geen zin. Volgens Schacter is het belangrijk om vooraf leerdoelen te stellen die met behulp van technologie behaald kunnen worden, omdat het anders minder effectief of totaal ineffectief kan zijn. 

*(Higher order denken is een term die werd gebruikt door Benjamin Bloom (1956) om het soort denken aan te duiden dat meer cognitieve processen vergt dan andere soorten. (Zie Figuur 2). Er is dus meer hersenactiviteit voor nodig.)
Figuur 2: Categorieën uit het cognitieve domein van Bloom's Taxonomy (Anderson, L. & Krathwohl, D. A., 2001).

Ik zie de verandering van het onderwijs van een 1.0 naar een 3.0 situatie als positief. Het saaie karakter van 1.0 colleges wordt vervangen met behulp van een interactievere methode die de colleges doet opleven. Mijn overtuiging is dat wanneer de middelen voorhanden zijn, je er gebruik van moet maken. Maar het belangrijkste is dat het hoofddoel, het onderwijzen, tijdens deze veranderingen niet uit het oog verloren wordt. Technologie moet in dienst staan van het onderwijs, niet andersom.


Opmerkingen:
  • De komende weken zal ik op deze blog berichten plaatsen die gerelateerd zijn aan de cursus Beeldcultuur. Genoeg om naar uit te kijken dus!
  • Wat betreft het gebruikmaken van technologie tijdens deze cursus zit het vooralsnog wel snor. Naast het overbekende Microsoft PowerPoint wordt er onder andere gebruikgemaakt van Yammer voor het netwerkgedeelte, en van blogs om de inhoud van de colleges verder te bestuderen. Ik ben benieuwd of hier nog andere handige dingen bij komen.   

Referenties:  
  • Anderson, L. & Krathwohl, D. A. (2001). Taxonomy for Learning, Teaching and Assessing: A Revision of    Bloom's Taxonomy of Educational Objectives. New York: Longman
  • Bloom, B. S., Engelhart, M. D., Furst, E. J., Hill, W. H., & Krathwohl, D. R. (1956). Taxonomy of educational objectives: the classification of educational goals; Handbook I: Cognitive Domain. New York, Longmans, Green.
  • Schacter, J. (1999). The Impact of Education Technology on Student Achievement: What the Most Current Research Has To Say. Santa Monica, CA: Milken Exchange on Educational Technology. 
  • Van den Hoff, R. (2011). Society 3.0: 52.
  • Van Driel, H. (27-08-2012). Hoorcollege Beeldcultuur.